Is ambitie asociaal?
Samen lummelen in bed is de weg vooruit. Plus: Opgroeien in tijden van voortdurende (zelf)monitoring, speed op recept tegen ADHD en Gen Z zoekt houvast in de kerk en bij Chinese geneeskunde.
Eerder kondigde ik in deze nieuwsbrief een goed voornemen aan: ik wilde een socialer mens worden. ‘Sociale ambitie’ noemde ik dit voornemen in mijn hoofd. Want: het individualisme is doorgeschoten, de samenleving verschraalt – je kent de analyses. Het gevolg hiervan, leerde ik van deze neurowetenschapper is meer polarisatie, en daarom minder succesvolle (grootschalige) samenwerking aan, ik noem maar wat, gevaarlijke klimaatopwarming. Wetenschappers stellen dat kleine sociale interacties – keuvelen bij de bushalte met vreemden, vergaderen met de VvE – een sleutelrol spelen in het herstellen van dat onderling vertrouwen (wat dus nodig is voor succesvolle samenwerking). Kort gezegd: een betere wereld begint met beter contact met je medemens.
Een paar maanden later is er weinig van dat voornemen terecht gekomen, met name omdat ik voortdurend ontevreden was over mijn resultaat. Was ik wel sociaal genoeg, vroeg ik me af als ik vuilnis stond te prikken met de kerkgangers in mijn buurt. Maak ik écht contact met winkelpersoneel, help ik mijn vrienden voldoende, moet ik niet nog meer smalltalken? Waarom zit ik de hele dag alleen achter een laptop, kan ik mijn tijd niet beter besteden, meer in dienst van de buurt, de mensen om mij heen? Het gevolg van dit socialmaxxing was frustratie, onvrede en algehele vermoeidheid (het gevolg, vermoed ik, van dat gevoel te falen + een introvert karakter).

Het probleem, realiseerde ik me, was mijn ambitie. Ik had een persoonlijk doel gesteld (socialer worden), wat ik zo goed mogelijk wilde behalen, waardoor ik – o, ironie – juist een minder sociaal mens werd. Het was bijvoorbeeld onmogelijk om de hele dag écht contact te maken met anderen. Ik probeerde met iedereen ‘te synchroniseren’ (ofwel: je lichamelijk openstellen, proberen echt te verbinden), liep voortdurend tegen een muur op (de meeste mensen stellen zich daar niet voor open of zijn afgeleid). Aan het eind van de dag voelde ik me overprikkeld, afgewezen en cynisch over mijn medemens.
Ik had mijn onbegrensde (werk)ambitie simpelweg verplaatst: van het behalen van professionele doelen, naar het verwezenlijken van mijn sociale doelen. Ambitie, zoals we die cultureel zijn gaan begrijpen (als: het nastreven van persoonlijke doelen als hoogste prioriteit) is in essentie zelfgericht. De logica is inherent individualistisch: het eigen doel wordt de maatstaf waaraan alles – andere mensen, eigen grenzen, gemeenschappelijke belangen – ondergeschikt wordt gemaakt. Daarmee ondermijnt ambitie precies wat nodig is voor verbinding en samenwerking – zélfs sociale ambitie.
Dus besloot ik vakantie te nemen van mijn ambitie, en ernaar te streven een good-enough burger te zijn, een good-enough vriend en – nog steeds het moeilijkst – een good-enough werkend persoon.
Wat daarbij helpt: ambitie lijkt cultureel ook op haar retour. Neem naamgenoot Lena Dunham die haar booktour voor haar memoires Famesick doet vanuit een bed. Het bed dat jarenlang hoofdzakelijk diende om op te laden voor het behalen van je persoonlijke doelen, lijkt zo weer een bestemming op zich. Een plek waar je gewoon de hele dag mag hangen (al dan niet met je beste vriendin).
Dunham schrijft in haar memoires Famesick hoe haar ambitie haar, letterlijk, ziek maakte en hoe ze heling vond in de acceptatie dat haar lichaam nu eenmaal ziek is, dat ze niet kan leven op het tempo dat de (media)wereld van haar vraagt. Hetzelfde beschrijft gecanceld DWDD-hoofdredacteur Dieuwke Wynia in haar memoires Je mist meer dan je ziet. De Canadese journalist Amil Niazi beschrijft in haar ‘Good enough memoires’ wat ze kreeg toen ze haar ambitie losliet: oog voor de wereld en de mensen om haar heen. Alledrie de vrouwen spreken niet van een verlies: het is een winnen, van zelfacceptatie en autonomie, van aanvaarden hoe het leven is, kiezen voor een leven in verbinding met je lichaam en met anderen.
Misschien is good enough dus niet een stap terug, denk ik nu, niet een kwestie van stagnatie – maar juist de weg vooruit.



